Alles wat bestaat heeft een begin en een eind, net zoals elk bestaand ‘iets’ substantie in vorm is net als vorm in substantie, en benoemd door ons verstand tot object is gemaakt.

Daar ik de kennendheid of getuige ben van dit alles ben ik al voorafgaand aan alles en ben ik ook altijd getuige van het eind van alles wat bestaat, conclusie: ik ben altijd maar het is beter om te zeggen: ik ben tijdloos. Aangezien ik niet te objectiveren ben heb ik geen substantie. Ik ben niet-iets, daarmee kan ik zeggen: ik ben tijdloos en niet ruimtelijk. Deze hele ‘ik ben’ exercitie is een aanschouwen van ‘iets’ dat nog altijd een manifestatie is, de realisatie dat er manifestatie is, is tegelijkertijd weer een creatie vanuit niet-iets naar iets. ‘Ik ben’ is dus woordenspel, bestaan is spel of liefde of kapot, ijs, bubblegum, magnesium het maakt niet uit wat, bestaan bestaat voor de waarnemer. Sluit de waarneming en er is [ ]

Dit hele bestaan is dus een poging me Zelf te vangen, een poging het onbegrensde te vangen en dus te begrenzen. Een onmogelijke taak, het enige wat rest is dit eindige gevormde dit-heid te aanvaarden als bestaand en ze zondermeer te accepteren voor wat ze is.

De zin van het leven is alle pogingen een zelf te zijn opgeven en te ZIJN tot wat je altijd al bent geweest.

De zin ben ik zelf’