Zijn is nooit niet en daarmee altijd. Dit zijn alleen maar woorden die in zichzelf niets betekenen, de betekenis wordt er door (mij)zelf in gelegd.
In de verwijzing naar datgene wat niet te duiden is, is iets vreemds. Hoe kan (er) naar niets verwezen worden en dat toch ‘begrepen’ worden?
Omdat het verwijzen in zichzelf weer een object is. Het ongekende wordt niet gekend maar toch ervaren. Wat is dit ervaren van dit fenomeen? Zit daar niet waarheid in net als het kennen en het gekende?

Beiden zijn los van elkaar niet te duiden maar samen lossen ze in elkaar op in de totstandkoming van de realisatie dat die er is.

Is daarmee niet duidelijk dat gewaar- of bewustzijn geen tweede kent (a-dvaita)? Bewustzijn is de in-grond zoals Alexander Smit dit altijd zo treffend zei. De in-grond waarin alles verschijnt en verdwijnt, ook de notie van het hebben van een lichaam.

De directe ervaring van NU, die ervaring die nimmer met woorden benaderd kan worden is ons wezenlijk zelf, dat ben IK maar dit zijn woorden en concepten en dat ben ik niet.

Ik ervaar de wereld en me-zelf door dit zelf-aanschouwen of dit ‘er-zijn’. Geen enkel woord, gedachte of gevoel zal dit ooit benaderen want wie we zijn is onbeschrijflijk en on-duid-e-lijk