De ik-ben-heid is daar op het moment dat je dit alles gewaar wordt in de herkenning ‘dit ben ik’ de herkenning is een herinnering dat deze gewaarwording er altijd al is vanaf dat moment dat alles in mij viel als gewaarwording. Met deze herinnering ontvalt het besef dat ik altijd al ben en dat ik mezelf ontwaar in alle dingen en vormen die me op dit moment ontvallen. Met andere woorden: het besef er te zijn, is er opeens wanneer de herinnering daar is dat ik dit altijd al ben en zal zijn op dit moment. Ik ben mezelf gewaar in alle vormen van mijn zintuigelijke waarneming en ik meet mezelf een identiteit aan door al deze vormen te benoemen. De ik-ben-heid is een besef dat ik mezelf gewaar ben in dit alles en dat ik dit alles waarneem. Dit waarnemen is niet alle vormen en namen want dan zou ik ze niet gewaar zijn dus ben ik geen enkele modaliteit of eigenschap. De paradox is dat deze notie me pas kan ontvallen door de notie van dit alles. Deze waarneming is een compleet wonder want ze kan niet verklaard worden. Dat wonder is in alles en iedereen in deze wonderlijke gewaarwording.

Ik ben, en ik ben niet. Een uitdrukking van mij is alles wat er is en deze uitdrukkingen ontvallen mij in een oneindige ruimte en stilte die niet als zodanig zijn omdat ze geen vorm en eigenschappen hebben.

Ik ben temidden dit alles als een soort geest of onstoffelijk wezen, onduidbaar en ontastbaar in zichzelf en zo tastbaar en voelbaar in haar uitdrukking te zijn, maar dat zijn alleen maar woorden om dat te duiden wat nimmer te duiden valt.