Wie ben ik? (de vraag die telkens weer in een nieuwe vorm op komt) het antwoord ligt in mijn overtuiging ‘ik ben’ het antwoord is dus de overtuiging. Als je spreekt van overtuiging is er automatisch het idee mee verbonden dat er iets of iemand overtuigd is of moet worden. Het anwoord op de vraag: ‘wie is overtuigd?’ is ‘ik’.
Wat is een overtuiging dan, is dat een staat van zijn? Het heeft er de schijn van dat ‘ik ben’ en de overtuiging daarvan beide even veel recht van bestaan hebben maar de overtuiging is er pas wanneer ik me bewust ben van dit feit, kortom bewust zijn van een overtuiging is er in de altijd aanwezig zijnde IK. ‘ik ben’ IS dus de overtuiging.
Dit is uiteraard niet het concept maar dat waarnaar gewezen wordt: dat wat onbenoembaar is omdat het gewoonweg is wat het is.

De taal is per definitie afhankelijk van dat waaruit taal voortkomt, net als dat leven afhankelijk is van dat waaruit leven voortkomt, daar valt niet over te praten… waarom dat dit schrijven?

Ik voel een bepaalde drang om hierover te spreken en schrijven omdat ik een bepaald gevoel heb dat ik het begrijp, niet in woorden maar in een weten.
Dit weten is er zo lang ik het me kan heugen en het komt me voor dat het er altijd is of, om het in meer dualistische termen uit te leggen; het zal er altijd zijn…

Het is enigszins vreemd om te praten en schrijven over altijd omdat dat, vanwaaruit de idee vorm krijgt, datgene is wat wij met het woord geest aanduiden.
Waarom schrijf ik niet gewoon: de gedachte komt uit de geest? Omdat die beide woorden concepten zijn die wijzen naar zaken die dynamisch van aard zijn en daarmee dus veranderlijk van vorm. Dus dat wat we met geest aanduiden is geen object in de zin van dat het een tastbaar en soliede iets is. Geest is zelf al net zo vluchtig als bijvoorbeeld etherdamp.

Maar ook nu bedien ik me weer van concrete zaken om iets aan te duiden wat feitelijk niet te duiden valt. Als we serieus en goed kijken naar objecten zoals bijvoorbeeld concrete stenen of wat dan ook, dan lijken deze objecten statisch van aard te zijn maar schijn bedriegt want de steen is opgebouwd uit atomen die ondertussen zo verregaand zijn onderzocht in de natuurkunde dat natuurkundigen tegenwoordig niet meer zo zeker zijn over de aard van dat wat ze onderzoeken. Atomen blijken weer te zijn opgebouwd uit sub-atomaire deeltjes die op hun beurt weer in nog kleinere zaken bestaan. Uiteindelijk komt de natuurkunde uit bij kwanten die kunnen bestaan uit een golf of een deeltje afhankelijk van de waarnemer!?

Dit is een interessant feit want dankzij heel tastbare wetenschap komen we uit op een punt waar het tastbare ongrijpbaar wordt, net als de geest. Als beide zich zo gedragen komt bij mij het idee op dat dit wel eens twee aspecten van een-en-hetzelfde kan zijn: een binnen- en een buitenkant van materie, om het zo uit te drukken.
Deze materie komt op in mij, er is een bewust zijn wat zich bewust is van dit feit.

Blijft de vraag staan: waarin bevind dit alles zich? Aangezien ik de waarnemer ben van dit alles, moet de conclusie zijn dat dit alles zich dus IN MIJ bevind.
De geest kan nu hierover reflecteren en vragen: waarin bevind die IK zich? Het punt hier is dat de geest zelf een product is van mij omdat ze in mij op komt en zodoende is dus een vraag over de aard van de aard van de geest een zinloze vraag die geen antwoord geeft omdat ze een paradox in zichzelf is.

Een antwoord op de vraag ‘wie ben ik’ kan alleen zinvol zijn als ze waarde heeft, wat heeft echte waarde? Dat wat reëel is, wat is reëel? Dat wat altijd en onveranderlijk is. Wat is dat? Dat is het bewustzijn zelf, de IK die weet dat IK ben, ongeacht in welke vorm, ja zelfs zonder vorm weet ik dat IK ben. Dat is het begin en eind van alles wat bestaat zoals het zich aan ons voordoet (vedanta), en terwijl dit bestaan dus vluchtig is, ben IK dat niet.