Een van de grootste ontdekkingen voor mezelf de laatste tijd, is de ontdekking dat onze gehele wereld bestaat uit bewustzijn’s objecten.

Het is in zekere zin behoorlijk ontnuchterend om te ontdekken dat alle ervaren bestaat uit zintuigelijke objecten welke zich in het bewustzijn presenteren. Er is niet eens sprake van een presenteren aan iets of iemand. Er is alleen de presentatie want, ga maar bij jezelf na, het bewust zijn zelf kan zich op elk moment maar op één object richten. Dat richten dat is nu juist de grote vraag. Wat is dat gericht gewaar zijn?

Wanneer je je verdiept in de waarneming, te weten de zintuiglijke gewaarwordingen, ontdenk je dat alle gewaarwording inhoudelijk bestaat uit gewaarwording-objecten welke via de zintuigen bij mij ‘binnen’ zijn gekomen. Hier ontstaat al direct het eerste problematische binnen de gewaarwording. Wat is namelijk binnen en buiten?
Kan er wel gesproken worden van binnen en buiten?
Wanneer je spreekt van binnen en buiten compartimentialiseer Je de complete eenheidservating in onderdelen.
Met andere woorden: er wordt onderscheid gemaakt in dat waar geen onderscheid is. Wat onderscheidt dan? (ook weer een verdeling van al-wat-is)
Dit kan niet het bewustzijn zelf zijn want het bewustzijn als zodanig is de basis van alles wat er is. Het moet dus een afgeleide of onderdeel van bewustzijn zijn. En daar is direct een tweede paradox we spreken over eenheid van al-wat-is is en tegelijkertijd spreken over onderdelen van al-wat-is is. Hoe is dit mogelijk?

De paradox van het bestaan is nu juist dat het bestaan ervaren wordt doordat ik mezelf als vorm oftewel afgescheiden van dat-wat-er-is ervaar. Deze ervaring is een ingeboren eigenschap van de manifestatie zoals ik ben. (Dit lichamelijk bestaan) het paradoxale is nu juist dat ik me bewust ben van dit feit, van deze situatie.
Wat betekent dit? Dit betekent dat ik me als fragment bewust ben van het feit afgescheiden te zijn door het feit dat ik mezelf als afgescheiden heb gedacht. Het kan ook niet anders want zonder context, in de breedste zin van het woord, is er geen ervaring mogelijk. (subject en object zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden) Maar ook bestaat de context niet zonder afscheiding want wanneer alles in elkaar verweven is zonder puntvormige concentratie is er geen ervaring mogelijk.

Met de vraag ‘wie ben ik?’ is er een besef van aandacht binnen context. Binnen ons conceptueel raamwerk (de manier waarop wij geconditioneerd zijn, en hebben leren denken en voelen) word dit besef van aandacht vertaald als ‘ik’, een persoon of entiteit.

De manier waarop wij begrijpen gebeurd via concepten. We begrijpen vanuit concepten waaraan andere concepten worden gekoppeld of waarbij het ene concept in het ander wordt vertaald en dit begrip vormt zich uiteindelijk in mij. Het vreemde en paradoxale van dit verhaal is dat het werkelijke begrijpen of weten niet conceptueel meer is, het gaat voorbij concepten en het gaat voorbij vorm. En juist door deze beweging ontdek ik dat ‘ik’ of ‘dat mijne’, niet dat is wat ik altijd denk of voel wat het is. Het is voorbij alle concepten en voelen. Met deze constatering groeit het besef dat alle ervaren, dat wat wordt ervaren, een abstractie is van datgene. Onze hele leefwereld blijkt een ongrijpbaar fenomeen.

En dan is er, paradoxaal genoeg, het besef ‘ik ben’. Dit zijn wat zich dus vertaald in notities binnenin het ‘bewust er te zijn’, is ervaren als een persoonlijk heel dichtbij staand iets. Het voelt als ‘van mij’. Het is in de tastzin dat het voor mij zo aanvaardbaar en dichtbij wordt.

Waardoor komt het dat het voelen mij het idee geeft dat, dat meer waar is dan het denken? Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. Maar een van de manieren waarmee we het kunnen aanvliegen is door te onderzoeken of denken en voelen wel twee verschillende zaken zijn of dat het, om het zo uit te drukken, twee zijden van één medaille zijn.

Wanneer je onderzoekt wat denken en voelen is, ontdek je dat beide uitdrukkingsvormen zijn van het gewaar zijn. Ga zelf maar na, wanneer je wat eet, wordt het eten vertaald in de gedachte ‘ik eet’ en de gewaarwording van geur-, smaak en textuur van het voedsel, het realiseren van ‘ik eet’ inclusief de gewaarwording in de vorm van geur en smaak resulteert in een gevoel van genot (mits het voedsel je ‘aanspreekt’ als lekker) Met andere woorden: Met denken en voelen druk ik mijn realiteitsbesef uit. Vanuit deze positie kunnen we concluderen dat identiteit ook een uitdrukkingsvorm is van dit zelfde realiteitsbesef.

Wanneer men de spreekt over een individuele identiteit is er sprake van verwarring. De verwarring is die waarbij de uitdrukkingsvorm wordt verward met het realiteitsbesef wat er is.

De crux van dit verhaal zit in de manier waarop dit realiteitsbesef zich uitdrukt binnen dat wat we dan ‘ik’ noemen. Zolang dit ik besef vermengd is met ideeën ofwel concepten en gevoelens over de vermeende identiteit is er geen helder gewaar zijn mogelijk. Het gewaar zijn is in die situatie gekleurd en gefilterd door allerlei persoonlijkheids-mechanismen. En deze geven aan het realiteitsbesef een persoonlijk tintje of kleuring. Deze vorm van realiteitsbesef, impliceert een vorm van geloof in een persoon. Deze persoon is de totaliteit van herinneringen, gedachten en gevoelens aan een gewaar zijn van een lichaam in de wereld. Dit lichamelijk gewaar zijn van de wereld is de oorzaak van de verwarring. Want doordat menig mens dit lichamelijk gewaar zijn verward met een persoonlijke identiteit ontstaat er een gevoel van afgescheiden zijn van al wat is. Daarmee zijn we weer aangeland bij het beginpunt of aan het eindpunt of op welk punt dan ook waar we aan het begin van deze blog aan begonnen. 😁

De geest probeert uit alle macht dit ongrijpbare fenomeen te grijpen maar blijft daar in gebreke. Dit komt doordat de aard van de Geest dualistisch is, ze kan alleen grijpen door te onderscheiden. En aangezien dit een goed startpunt is voor zelf onderzoek is het geen goed vehikel om tot de kern van zelf onderzoek door te dringen. Willen wij tot de kern van wie wij zijn doordringen dan zullen wij ons moeten overgeven aan het hogere. Dit is wat bhakti yoga als doel heeft. Dit is ook wat er in de bijbel en alle andere religieuze geschriften wordt bedoeld. Het is de individualiteit opgeven in de realisatie geen individu te zijn.