De realiteit bestaat in het onmiddellijke NU, ze is daar waar het ‘snijpunt’ van potentie en manifestatie bij elkaar komt en de realisatie van dit feit is ontastbaar. De gewaarwording ‘ik ben’ is tegelijkertijd daar met de gewaarwording van de manifestatie door middel van de zintuigen. Een belangrijke kanttekening bij dit gebeuren is dat dit alles niet vanuit het geheugen geschied, met andere woorden, de directe hier-heid van het NU manifesteert zich door vorm en het gewaar zijn hiervan door Zijn. Het paradoxale van dit alles is dat het gewaarzijn van ‘ik ben’ niet in objectieve zin gebeurt. De notie ontstaat juist door een paradoxaal soort afwezigheid van de essentie welke dit alles gewaar is.

Hieruit blijkt dan ook dat de notie ‘ik ben’ een directe notie is zonder woorden of concepten. Tegelijkertijd zijn wij ons bewust van de manifestatie doordat er de gewaarwording. Deze gewaarwording moet noodzakelijkerwijs wel uit het geheugen komen want het bewustzijn kan zich maar op 1 object tegelijk richten (inclusief het enige objectloze object: te weten Zelf))

wanneer het bewustzijn zich richt op zichzelf, is er een gewaar Zijn. Dit is een speciale staat van gewaarwording waarbij er een notie is zonder dat er een notie is. () Om deze reden is zelfrealisatie niet uit te drukken in objecten, noch in de herinnering daarvan.

Ergo: zelf realisatie staat op zichzelf en kan achteraf vanuit het geheugen, waarbij alleen de afwezigheid van de essentie kan worden gerealiseerd uit de afwezigheid van directe zelf ervaring, alleen worden geduid in negatieve of ontkennende termen.