Elk bestaan is een kwestie van perspectief

De zoektocht naar oorzakelijkheid maakt dat wij denken in vorm van objecten. Het is ook deze oorzakelijkheid die de zoektocht naar ons Zelf in gang zet. De zoektocht eindigt met het inzicht dat oorzakelijkheid een illusie is.

De gehele manifestatie is niets anders dan een groot spel noem het, het spel van de verandering van vorm in (andere) vorm. Wat is er veranderd? De vorm, oorzakelijkheid projecteert daar een substantie in of onder maar die is er niet.

Ons hele gewaarzijn van plezier, pijn, angst of extase is één grote veranderlijkheid. Het is dankzij de veranderlijkheid dat het ervaren kan worden.

Het is onze manier van denken over de realiteit en hoe we gewend zijn aan het idee van oorzaak en gevolg. In elke oorzaak en gevolg actie plaatsen wij een ‘oorzakelijk iets’ een entiteit of wat dan ook wat we dan een identiteit toebedelen. Het is de Geest die ons hulpmiddel is om situaties te begrijpen en in het eventuele geval er iets met ons gebeurd of ons lichaam in gevaar is, om daar actie op te kunnen ondernemen. Die geest (welke een vernauwing is van het bewustzijn) Kan alleen functioneren wanneer het objecten heeft om daarop het denken los te laten. Om die reden onderscheid de geest dat wat in wezen niet te onderscheiden valt. Het is een patroonherkenning welke de geest in staat stelt objecten te zien die daar in werkelijkheid niet zijn, enkel in de belevingswereld zoals we dat noemen, oftewel de geestelijke Omgeving. Vanuit dat denken, waarmee wij ons op dat moment ook vereenzelvigen, ontstaat een wereld van afgescheiden objecten. En daarmee ontstaat impliciet en direct een ervaren van afgescheiden of alleen zijn.

Wat we missen op zo’n moment van onderscheid, is het besef dat dit onderscheid gebeurt als een proces. Het is net zo goed een object welke veranderd als ook het onderscheid van wat op welk moment dan ook daar aanwezig is. Het onderscheid en dat wat het onderscheid maakt zijn één, er is geen subject, noch een object.

Daar, is dat wat wij zijn. Jij bent dat.

Het ervaren is in wezen ondeelbaar, het kan niet in onderdelen begrepen of opgevat worden.

In wezen is alle gerichtheit buiten, er bestaat objectief gezien alleen buiten. Wanneer je bij wijze van spreken zegt ‘naar binnen gericht’ betekent dat eigenlijk een ongerichtheid. Je zou het ongerichte gerichtheid kunnen noemen, maar dat is natuurlijk strikt gezien wartaal. Anderen noemen het ook wel de kennendheid. Het wordt ook de in-grond genoemd van alles wat er is. Het zijn allemaal pogingen om dat te duiden wat niet te duiden valt.

Het is telkens weer het gewaarzijn van al deze veranderlijke objecten welke mij doen beseffen dat ik zelf dit gewaarzijn ben en ik zelf de onveranderlijkheid binnen de verandering ben. Anders uitgelegd bestaat de ervaring dankzij dat wat ervaren wordt.

Door gericht gewaar zijn, ontstaat dat wat je je gewaar bent. Het is door deze gerichtheid dat de dingen komen en gaan in het bewustzijn. Door onze verliefdheid op dat wat we gewaarworden blijven wij ons richten op dat waar we zo verliefd op zijn.

Het is inderdaad door liefde voor alles wat er is waardoor wij ontdekken dat wij liefde zijn. Wij omarmen dat wat we heerlijk en prettig vinden en duwen het tegenovergestelde weg in onze onwetendheid dat het twee kanten van een en het zelfde zijn. Aardse liefde ziet een kant, werkelijke onvoorwaardelijke liefde ziet beide kanten.

Door onze obsessie met objecten blijven wij naar buiten gericht, het is precies weer diezelfde gerichtheid waarover het in het begin van het stuk over gaat. Deze gerichtheid is continu, niet op zichzelf, maar op ‘iets anders’ gericht en ze herkent niet de eigenheid van deze gerichtheid die in werkelijkheid waar geworden Zijn is.