Denken kan zich alleen richten tot objecten. Er kan dus nooit een gerichtheid zijn op een niet-object. Dat is logisch gezien onmogelijk. Dit betekent dat elke gedachte ook weer een object is in het bewustzijn. Het bewustzijn is de ingrond van dit alles. Door deze conclusie is het daarmee ook direct duidelijk dat bewustzijn geen object kan zijn, oftewel bewustzijn is non duaal want dualiteit bestaat als gevolg van objecten. Wanneer bewustzijn non duaal is betekent dit ook dat bewustzijn niet gebonden is aan tijd of ruimte.

Aangezien gedachten objecten in het bewustzijn zijn kan denken zich niet op zichzelf richten. Alleen in het bewustzijn kan er worden waargenomen dat er gedachten zijn. Het is dus irreëel te denken dat het denken zichzelf kan begrijpen. Alleen binnen bewustzijn kunnen gedachten worden waargenomen en daardoor kan ‘het’ zich bewust zijn van zichzelf.

Een gedachte kent 2 vormen van gerichtheid:

• Een gedachte welke voortkomt of ontspruit aan de waarneming, bijvoorbeeld de gedachte dat een bal rond is naar aanleiding van het zien van een bal. de gerichtheid is hierbij op objecten

• Een gedachte welke zich richt op het denkproces zelf, hiermee word bedoeld dat er denken over bijvoorbeeld een gedachte is. Als voorbeeld kan je een gedachte hebben: ‘dit ben ik’ het denken wat hierop volgt in de trant van ‘wie is die ik uit deze gedachte’ is een soort meta-gedachte over de voorgaande gedachte. deze vorm van denken houd zich dus niet met de inhoud van het denken bezig maar met de vorm.

Van de 2 benoemde vormen van gerichtheid van denken kan van de eerste gesteld worden dat dit de ‘eerste afsplitsing’ is van een reeel object. De wetenschappelijke of filosofische vraag die hier gesteld kan worden is die naar de mate waarin deze gedachte realiteitswaarde heeft, oftewel hoe goed lijkt de gedachte op het origineel. Uiteraard kan hier de kritische vraag worden gesteld of realiteitswaarde uberhaupt wel bepaald kan worden aangezien wij met het menselijk waarnemings apparaat altijd met ‘een menselijke blik’ naar de wereld kijken. met andere woorden: het object ‘an sich’ kan nooit gekent worden door de mens (hierbij refereer ik aan het werk van Immanuel Kant voor de filosofische onderbouwing)

De tweede vorm van gerichtheid is altijd een tweede of n-de afspliting van de eerste afspliting oftewel gedachte. Aangezien deze ideeen altijd hun oorsprong hebben in de mentale ruimte kan er over hun realiteitsgehalte geen uitspraak gedaan worden. Ongeacht of de eerste afsplitsing reëel is of niet kan er over verdere afsplitsingen niet gezegd worden of ze dit wel of niet zijn op basis van het feit dat het een gedachte over een gedachte is. Waar hier naar verwezen word is het feit dat het menselijke denken geen referenties kent voor de denkprocessen zelf.

Over de vraag naar de oorsprong van gedachten kan gefilosofeerd of gefantaseerd worden maar dat zal geen realiteitswaarde bezitten aangezien dit alles geschied in een andere dimensie dan die waarin het menselijk lichaam zich bevind. Hoe weten wij dat? Simpelweg doordat zuiver denken zich niet manifesteert in de fysieke dimensie. (Er wordt hierbij verondersteld dat de fysieke verschijningsvorm de realiteit vertegenwoordigd.

Deze uiteenzetting verondersteld meerdere dimensies waarin de kennendheid (dat wat zichzelf gewaar is) opereert en dat betekent dat de kennendheid dus een multi-dimensionaal wezen is.

De consequenties voor de acceptatie van deze conclusie zijn verstrekkend want het betekent ondermeer dat de mens nu zich rekenschap moet gaan geven van zaken die niet fysiek gemanifesteerd zijn. Voorbeelden zijn Parapsychologie, astrologie enz.

De wetenschap een multidimensionaal wezen te zijn houd een revolutie in op het intermenselijk vlak, wetenschap sociaal- en cultureel vlak enz.

We gaan een spannende tijd tegemoet