Oké dus jij zegt: ik verdwijn bij ‘mijn’ dood, zodra het lichaam sterft, sterf ik ook. Maar je zegt me ook dat als jij gestorven bent en het lichaam een dood ding is ‘geworden’ dat die materiële werkelijkheid gewoon blijft doorgaan, dat de realiteit zoals jij die ziet gewoon blijft, hoe weet jij dat? Is het idee van een doorlopende realiteit niet een verkapte vorm van denken in onsterfelijkheid, in dit geval dan geprojecteerd op de materiële objecten?

Dan is mijn vraag aan jou: is er enig verschil als ik zeg dat het wezenlijke van mij en jou nooit geboren is en nooit sterft, en het idee dat de materiële wereld gewoon altijd doorgaat, ongeacht welke vorm ze aanneemt?