De enige zekerheid die ik heb is te weten dat ik ben. Dit weten is boven alle twijfel verheven want het is geen denken maar een direct weten en een ervaren dat onmiddellijk helder en duidelijk is. Om dit punt te bekrachtigen moeten we eerst kijken naar de waarneming.

De vraag is: hoe werkt de menselijke waarneming? Deze is als volgt: elke waarneming is een onmiddellijk beeld of geluid in het gewaarzijn. Voor de volledigheid moet ik hier aan toevoegen dat dit ook geldt voor de reuk smaak en tastzin. Als we dit nu voor het gemak even gezamenlijk ‘beeld’ noemen praten we iets makkelijker met elkaar. Elk waargenomen beeld in het gewaarzijn vult het gehele blikveld van dit gewaarzijn en tegelijkertijd is er altijd maar één beeld in het gewaarzijn. Er kan dus eigenlijk niet gesproken worden van tegelijkertijd aangezien het een serieel verschijnen en verdwijnen van beelden is. Dit verschijnen en verdwijnen van beelden is altijd en direct in het heden of nu. Er bestaat geen verleden of toekomst, dat zijn louter denkbeelden.

Met het verschijnen en verdwijnen van deze beelden wordt in de geest met behulp van het geheugen een constructie gemaakt. Dit is het beeld zoals wij een waarneming hebben, zoals wij dus iets ervaren. Wanneer wij spreken over verleden of toekomst is dat altijd een beeld Nu. De clou van het verhaal is dat wij in het serieel opeenvolgen van beelden continuïteit projecteren die niet van het beeld een eigenschap is, maar een eigenschap is van het gewaar zijn zelf.

Wat er daadwerkelijk gebeurt is dat elk beeld gecreëerd-, en vrij snel daarop vernietigd wordt. De continuïteit die wij menen te aanschouwen is nogmaals dus niet die van het geziene object maar de continuïteit die ons Zelf is. De aanschouwde wereld blijkt dus een opeenvolging van beelden in de geest te zijn, wat niet weerlegt of betwijfelt dat er een onderliggende realiteit bestaat, maar deze realiteit is onkenbaar zoals Immanuel Kant dat bewezen heeft in zijn transcendentale filosofie. Dit geldt voor alle notities in het gewaar zijn wat dus ook betekent dat het inclusief het gewaar zijn van het lichaam omvat.

Dan rijst nu de uiterst belangrijke vraag: wie ben ik of wat ben ik? Als we vaststellen dat het gewaar zijn mijn enige houvast is, Kan er hooguit geconcludeerd worden dat ik iets ben wat niet te objectiveren is aangezien de wijze waarop ik mezelf gewaar ben in een opeenvolging van beelden opkomt welke word verondersteld afkomstig te zijn van de realiteit die onkenbaar is. De vraag mag gesteld worden: ben ik al die tijdelijke zintuiglijke objecten? Als we aan de definitie van de vedische filosofie vasthouden, kan dit zelf niet veranderlijk zijn aangezien dat een ander of veranderlijk object verondersteld en wanneer we spreken van objecten spreken we van waargenomen zaken afgezien van de vraag of objecten in wezen veranderlijk kunnen zijn (de filosofische vraag of een object statisch is of dat een object veranderlijk kan zijn verondersteld een wijze van kennen die zegt dat een object in wezen alleen door een serie van statische beelden die opeenvolgend snel worden getoond in tegenstelling tot het idee dat een veranderlijk object welke onmogelijk in haar wezenlijke veranderlijkheid gekend kan worden)

Aangezien alle waargenomen zaken, welke zich voordoen in het gewaar zijn, in wezen veranderlijk zijn (zelfs de diamant zal op een gegeven moment van vorm en structuur veranderen aangezien ze een materieel object is) Moet er vast gesteld worden dat dit dus niet realiteit kan zijn in die zin van het woord. Met onder woorden: Zelf kan nimmer veranderlijk zijn, Zelf moet per definitie altijd en immer Zelf zijn in onveranderlijke ‘vorm’ (zie hier de ontoereikendheid van de taal)

Met andere woorden, elke zintuiglijke notitie is een mentale constructie van iets wat zelf onkenbaar is, dit is al eerder vermeld maar toch is hier extra vermelding de moeite waard om te verduidelijken dat alle zintuiglijke gewaarwordingen een puur individuele aangelegenheid is In die zin dat hier met het woord individueel wordt bedoeld de unieke manier van interpreteren van de zintuiglijk waargenomen realiteit dankzij het lichaam wat voor ieder wezen uniek is. (Alexander Smit zei wel eens dat mensen zijn als gekleurd glas)

Wat geeft dus werkelijkheidswaarde aan de waarneming? Het antwoord is: IK! dit is de eeuwige en enige realiteit.

De moeilijkheid van deze notitie komt door het feit dat wij ons zelf als afgescheiden wezentje projecteren in een lichaam en om deze reden maar niet kunnen begrijpen of vatten dat wij in wezen niet alleen maar dit lichaampje zijn.

Hoe komt het dat ik een zin als deze hier kan neerzetten en beweren dat dit waar is? De uitleg is als volgt: De notitie ‘ik ben’ is een notitie welke het gevolg is van de opeenvolgende zintuiglijke beelden welke mij elk moment van de wakkere staat van mijn zijn binnenkomen. Door deze notitie, welke zich als een soort continuüm in mijn geheugen vormt, ontstaat een idee van een doorgaande aanwezigheid in de objecten welke ik via zintuiglijke gewaarwordingen binnen krijg. Dit idee is er omdat mijn zintuigen gewoonlijk naar buiten zijn gericht, en vanwege dit naar buiten gericht zijn van de gewaarwording wordt het ontstane beeld naar buiten geprojecteerd.

De omslag welke zich voordoet in zelfrealisatie is de realisatie dat alle gewaarwording niet buiten me plaatsvindt, maar binnenin dit bewustzijn wat ik feitelijk ben.

Wanneer je je eenmaal realiseert dat alle gewaarwordingen in MIJ plaatsvindt, voltrekt er zich een verandering in ‘bewust zijn van’… Wanneer wordt gezien dat alles zich binnenin mijzelf voordoet, ontstaat de realisatie dat alle objecten feitelijk zich binnenin dit ene bewustzijn bevinden. En dit is niet een werkelijk bevinden in de zin van dat een object zich op een bepaalde plaats bevind.

(Hoe kan het dat ik weet dat dit bewustzijn Een is? Dat kan ik weten omdat ik altijd en overal maar één gewaarwording heb, weliswaar lijkt ieder mens en dier gewaar te zijn maar als ik rigoureus en scherp observeer is er maar één ziener en dat ben IK, en dit geldt voor ieder wezen zo. Dan nog kan men de vraag stellen ‘dit is toch niet één maar ontelbare zieners wat hier gesteld word? Dan volgt het vragend antwoord, waar zie jij de ziener? Is het niet zo dat elk wezen alleen zichzelf kent en uit dit ene Zelf ervaart? Hoe kan je weten dat al die beelden van anderen in jou, een ziener (oftewel een bewustzijn) bevatten? Is het niet een veronderstelling van de geest????

(Een veronderstelling stelt vanuit een onuitgesproken predispositie ‘vast’ dat iets bestaat maar daarmee is weliswaar de veronderstelling gefundeerd maat niet de predispositie, dat blijkt op zijn beurt ook weer een veronderstelling te zijn! Dus elke veronderstelling gaat uit van een ver-onder-onder stelling en die keten is oneindig. Ik heb al eens eerder dit mechanisme van de geest belicht in een andere blog en kom tot de conclusie dat de lus die in de geest ontstaat zich gedraagt als de ring van Möbius. Het is de geest die zelf een spelletje speelt, gewaarzijn van dit mechanisme doet je inzien dat het geestelijke een gebeuren is wat zichzelf zo in stand houd, inzien dat het zo werkt kan een directe stop doen van dit alles (of je moet er lol in beleven om het door te laten gaan))

Er wordt, met andere woorden, gerealiseerd dat alle beelden welke een object veronderstellen feitelijk zonder substantie oftewel substraat zijn. Dit betekent, om het in concrete termen uit te leggen, dat een object feitelijk niet een object in de fysieke zin van het woord is. Een object blijkt een construct te zijn In het bewustzijn.

Uit de kwantummechanica is duidelijk geworden dat het bewustzijn Invloed heeft op het waarnemen van atomaire verschijnselen. Bewust zijn bepaald of er op het moment van aandacht op de plaats waar een deeltje zich zou bevinden, dit deeltje zich daadwerkelijk zal bevinden. Met andere woorden wanneer het bewustzijn zich richt op een plaats waar iets waargenomen wordt, wordt er daadwerkelijk op die plaats ook iets waargenomen. De verbluffende conclusie is dat bewustzijn dit beeld of gebeuren creëert.

Zo is het ook gesteld met de gehele wereld zoals wij die ons dagelijks voorstellen. Al het waargenomen fenomenale is een creatie van mijzelf en met de bewustwording van dit feit ontstaat het besef dat IK de schepper van dit alles ben!

Wanneer je je realiseert dat je de schepper bent van al het waarneembare merk je ook dat je al deze schepselen bent. Je bent ze in relatie tot het gewaar zijn van deze schepselen. In deze verhouding wordt ook ontdekt dat ik al deze zaken diep van binnen volledig accepteer en dat ik van ze hou, hier kom je tot de ontdekking dat je alles lief hebt en dat de basis van dit alles liefde is. Wanneer je dit gewaar wordt ontstaat er een diepe dankbaarheid voor het hele bestaan en realiseer je dat je dit altijd al hebt gedaan en zal blijven doen omdat je oneindig houdt van alles wat je schept.