Om te leren wat Advaita (geen twee) is, is het van het grootste belang dat eerst bewust-zijn-van wordt ingezien, vervolgens kan je je gaan richten op objecten om via die weg tot het inzicht te komen dat objecten een resultaat zijn van een gedachteproces en dat dat proces (de menselijke geest) als voornaamste functie heeft de ‘alledaagse realiteit’ op te delen in begrijpelijke brokken waarmee de situatie verklaard en behandeld kan worden.

Dit traject kan voor sommige mensen lastig zijn vanwege het feit dat ze zo gewend zijn geraakt aan het automatisch objectiveren van alles wat je zintuigelijk ontvangt. Objecten zijn een eerbetoon aan mijzelf zegt Atmananda Krishna Menon en wat hij daarmee bedoeld is dat elk object een verwijzing is naar Zelf, oftewel dat wat onmiskenbaar altijd en overal daar is en de beleving beleefd. Dat laatste klinkt paradoxaal maar dat is het niet; de paradox lijkt het te worden doordat het denken (het intellect) onderscheid maakt tussen ‘dit’ en ‘dat’. Dus alleen in het observeren van die gedachten (ieder object is feitelijk een gedachte, denk daar maar eens over na) lijkt de wereld te bestaan als onderscheiden objecten of dingen.

In wezen heeft het denken het roer overgenomen of beter is het om te zeggen dat je het denken het roer hebt laten overnemen. Wat heeft het roer laten overnemen? Ik, jij ‘dat wat jij en ik zijn’ en wat is dat? Dat is geen object!!! Dat wat je niet bent kan je observeren en kennen, maar dat wat je bent is onmogelijk als object te kennen omdat je dat bent.

De persoon of ego kan worden gezien als een draad van gedachten die je opbouwt en daar het label ‘ik’ aan geeft. Elke ervaring wordt als het ware als een kraal aan de draad toegevoegd. Zo ontstaat uiteindelijk een hele ketting met zaken die jij dan zou zijn maar dat is uiteindelijk alleen maar meer ‘denken’ het zijn ideeën die elkaar gewoonweg opvolgen waardoor er een illusie van continuïteit ontstaat. Door die werking ontstaat weer het idee van verloop en daarmee samenhangend tijd.

De hele ik structuur van de persoon is daarmee een bouwwerk van ideeën en ervaringen geworden die je, op het moment dat je er aan denkt, ziet als een object wat opkomt in het bewustzijn waarin alles is.

Het object wat je denkt te zijn is als het ware een gecompileerd object waarbij telkens nieuwe ervaringen en ideeën worden toegevoegd. Door de act van compileren ontstaat er een idee wat feitelijk Nu opkomt.

Feitelijk is er geen voortduren noch tijd want er is altijd en alleen maar Nu waarin alles gebeurt inclusief het oproepen van een persoon en dergelijke.

Om Advaita te leren ‘zien’ moet er dus een heel traject van identificatie en objectiveren doorlopen worden om daarna door middel van dat zelfonderzoek tot inzicht te komen dat alle beleefde ervaring een opkomen is van naam en vorm in iets wat als substraat onbenoembaar te bevatten is. Het absolute (wat dat substraat is) drukt zich uit als naam en vorm in zichzelf. Net als de pot klei in essentie uit klei bestaat en als vormgegeven object een pot wordt. Uiteindelijk is het alleen klei in een vorm en als die vorm kapot valt is het nog steeds klei.

Als we zo de mens bezien is de mens een vorm uitgedrukt in iets wat zelf voorbij naam en vorm is. De vorm is ontstaan bij je vader en moeder en is geworden tot dat wat de blauwdruk is essentie al was. En als deze vorm kapot gaat zal ze weer terug keren tot dat wat we in essentie al zijn: objectloze on -begrijpelijke ‘leegte’.