Ik ben een middelpunt zonder punt in het altijd veranderende manifest. Ik vind mezelf altijd daar temidden objecten terwijl ikzelf dat niet ben, maar toch realiseer ik me dit dankzij die objecten. Zonder dat alles zou ik niet Zijn maar toch ben ik altijd omdat ik dat aanschouwende middelpunt ben terwijl ik niet te pinpointen ben. Altijd vind ik mezelf als paradox, een onbegrijpelijk fenomeen. Niet te bevatten maar altijd daar als IK.

Deze ‘ik ben’ is onverwoestbaar omdat ze niet iets is, en toch is het, zie daar de schoonheid van in! Je kan mijn Zelf nergens vinden en toch meen je hem telkens te kunnen voelen en vastpakken als je lichaam. Dat komt omdat we met dat instrument waarnemen, maar we vergeten daarbij dat de waargenomenheid zelf immaterieel, ondenkbaar en onvoelbaar is. Dat is zo omdat ik anders mijzelf niet zou kunnen kennen en dat doe ik juist wel.

Ik ben als een projectie van een filmbeeld. Even daar en weer verdwenen. Wie was  ik daarnet?

Wij vinden EN verliezen ons in dit gemanifesteerde.

Wanneer je realiteit probeert te definiëren, kan elke stelling weer omgedraaid en ontkracht worden. Daarmee kom je er achter dat alleen JIJ als ‘ik ben’ maar niet dat tastbare, realiteit is. IK zonder elke definitie komt nog het dichtst bij een taalkundige uitdrukking van wat ik wezenlijk ben.