Daar taal het medium is waarmee mensen elkaar informatie delen moet taal als middel maar ook als medium volledig gekend zijn wil men begrijpen wie men is.

Deze stelling is zo hier opgesteld omdat de mens zich door middel van taal uitdrukt en taal een barrière kan zijn of worden voor de zoeker van waarheid.

Deze uitdrukking behoeft enige uitleg: feit is dat taal zich bediend van taal-objecten en daardoor dus dualistisch van aard is. Wanneer je tot de ontdekking komt dat je Zelf (die onbetwijfelbare ik-heit) voorbij enige uitdrukking is en ze onmogelijk mentaal benaderd kan worden, moet het daarmee duidelijk zijn dat de taal onmachtig is om uitdrukking te geven aan dat Zelf.

De bouwstenen van de menselijke taal zijn begrippen die objectief gezien mentale objecten zijn. Taal kan dus alleen uitdrukking geven aan objecten en niet aan niet-objecten daar de taal zelf een ‘gebouw van objecten’ is en nimmer niet-object kan zijn.

Zelf is als zodanig onbepaald want, kijk zelf maar, wanneer je je realiseert dat je Zelf als 5-jarig kind en nu onveranderd is, betekent dit dat Zelf niet een Object is maar deze objecten als het ware gade slaat. En nu komt de moeilijkheid; sla dit gade niet vanuit de veronderstelling dat er iets is wat dit gade slaat want dat is juist wat ik hier probeer te verduidelijken. Taal kan een barrière zijn doordat ze als basis de veronderstelling van een objectieve wereld neemt en dus alles ALLEEN MAAR object kan zijn!

Juist doordat je hebt gezien dat Zelf onbepaald is en daarmee niet object kan zijn moet je tot de conclusie komen dat alles wat er waargenomen is, niets anders kan zijn dan dit zelf want iets kan niet iets anders zijn zonder te veranderen van aard en aangezien Zelf, doordat ze onbepaald is, onveranderlijk is kan je niet anders dan concluderen dat de veranderlijke wereld in wezen dit Zelf is wat zich aanschouwd en haar oneindige aspecten als objecten ziet terwijl we zojuist hebben geconcludeerd dat ze dat in wezen niet zijn.

Het mooie en raadselachtige van dit fenomeen is nu juist dat onze waar-neming, hoewel zo alledaags ze is als ze maar zijn kan, ze in wezen onbegrijpelijk is. Zie het als de stelling van een homunculus in een mens (of geest) die dan de aanschouwing beoefend die op zijn beurt ook weer verklaring behoeft, dit is iets oneindig en onbegrijpelijk. Net zomin je kan bevatten waarom je van iemand houdt of je iets mooi of lelijk vind.